Nieuwsoverzicht

De Stad Klundert, Marcussen-orgel

Algemene informatie

Marcussen orgel
Foto: Wim van der Ros

Het Marcussenorgel, oorspronkelijk gebouwd  voor de R.K. St. Stephanuskerk te Moerdijk is één van de belangrijkste exponenten van de zogenaamde ‘orgelbeweging’ die direct na de 2e Wereldoorlog in vanuit Denemarken en Duitsland ontstond. Deze periode loopt globaal van 1940 tot 1970 en  wordt vaak aangeduid als ‘neobarok’. In deze periode wordt qua dispositie teruggekeerd naar het Noordduitse barokke orgeltype uit de 18e eeuw, met als inspiratiebron de befaamde Hamburgse orgelmaker Arp Schnitger.

Het vooroorlogse fabrieks-orgel met electro-pneumatische tractuur en een voor barokmuziek onduidelijke en daarom minder geschikte klank maakt in die tijd plaats voor een helder en doorzichtig geluid, zodat de polyfone stemmenweefsels  van barokke en 20e eeuwse muziek duidelijk hoorbaar zijn. Zowel orgelkas, mechaniek als pijpwerk worden weer gemaakt van eerste klas materialen en de toetstractuur is weer helemaal mechanisch.

Marcussen & Søn te Aabenraa (Denemarken) was de eerste firma die vanaf 1930 dit type instrument ontwikkelde; deze firma maakte onder leiding van mensen als Sybrand Zachariassen, Poul-Gerhard Andersen, Bruno Christensen en Adolf Wehding instrumenten die zich qua techniek en perfectie van de intonatie een grote reputatie verwierven. In Nederland waren het vooral de orgelbouwers Van Vulpen uit Utrecht die het voorbeeld van Marcussen overnamen.

Marcussen bouwde in Nederland 13 orgels, waarvan er twee in Moerdijk stonden.

Orgelschiedenis

Orgelschiedenis van de voormalige St. Stephanuskerk te Moerdijk

De orgelgeschiedenis van de Moerdijkse St. Stephanusparochie is nog vrij jong en begint in 1958 bij het gereedkomen van de nieuwe parochiekerk. De kerk doet qua bouw wat Italiaans aan. Het gebouw wordt helemaal in het wit opgeleverd met een losstaande toren met drie luidklokken, een zgn. campanella. De kerk werd groots opgezet omdat de planologen verwachtten dat het dorp Moerdijk een belangrijke economische en culturele plaats zou worden met veel inwoners uit de Randstad. De kerk zou daarbij ook een cultureel middelpunt gaan worden. Vandaar ook het besluit om een groot orgel te bouwen, niet alleen voor de liturgie maar vooral voor concertgebruik.

Het Rampenfonds

Moerdijk had in de oorlog en tijdens de watersnoodramp van 1953 veel geleden, het dorp was vrijwel verwoest. De Deense staat gaf speciaal gelden voor de herbouw van orgels in het rampgebied, onder de voorwaarde dat Deense orgelmakers enkele opdrachten zouden krijgen.

Het Rampenfonds bepaalde dat Moerdijk een orgel zou krijgen van de befaamde Deense orgelmaker Marcussen & Søn te Aabanraa. Het liet zich voorlichten en ook daadwerkelijk binden aan de adviezen die vanuit de Orgelcommissie van de Nederlands Hervormde Kerk gegeven werden. Met name Lambert Erné (Utrecht) was de smaakmaker in die tijd. Erné liet in zijn Utrechtse Nicolaïkerk ook een Marcussenorgel bouwen (1956), een orgel dat grote faam in Nederland en daarbuiten zou krijgen. Na het gereedkomen van de St. Stephanuskerk werd er een orgel besteld bij Marcussen. Doordat deze echter een grote orderportefeuille had kon de realisatie van het nieuwe orgel pas 1962 een aanvang nemen.

Er moest dus voor een aantal jaren een tussenoplossing worden gezocht die zich al snel aandiende. De orgelmakers Gebr. Van Vulpen te Utrecht bouwden een kopie van het z.g. ‘Sweelinck-orgel’, het allereerste orgel dat de firma Marcussen in 1953 voor Nederland had gebouwd voor de N.C.R.V. studio te Hilversum.

Van Vulpen bouwde dit instrument met twee bedoelingen: het orgel zou tijdens de Wereldtentoonstelling 1958 te Brussel in het Nederlandse Paviljoen opgesteld staan. Vervolgens zou dit instrument definitief geplaatst worden als Rampenfondsorgel in de Gereformeerde Kerk van Geersdijk (Zeeland). In 1958 was de nieuw te bouwen kerk van Geersdijk echter nog niet klaar en dus werd het Van Vulpenorgel vanuit Brussel naar Moerdijk gebracht en opgebouwd op het priesterkoor van de kerk. Totdat de Geersdijkse kerk gereed zou zijn mocht het instrument in Moerdijk blijven. Rond 1961 was het zover en verhuisde het Van-Vulpenorgel naar Geersdijk. Weer kwam er een tijdelijke oplossing: in 1962 kwam er een 2′ positiefje met één manuaal en vijf registers van de fa. Marcussen naar Moerdijk. Dit instrument zou blijven staan totdat het grote orgel vanuit Denemarken zou zijn geleverd.

Tweede Vaticaans Concilie 1962

Toen deden zich enkele lastige complicaties voor. In 1962 werd tijdens het Tweede Vaticaans Concilie bepaald dat, liturgisch gezien, de volkszang in de eigen taal prioriteit moest krijgen. Veel kerkkoren verhuisden daarom van de koorzolder naar het priesterkoor. De toenmalige pastoor-deken van Moerdijk wilde nu koste wat kost het (grote) orgel beneden in de nis (transept) van de kerk opgesteld hebben, en niet op het nog te bouwen oksaal boven de hoofdingang van de kerk. Adviseur Erné van de orgelcommissie was echter mordicus tegen: het grote orgel moest en zou op een balkon boven de hoofdingang van de kerk komen.

De pastoor wenste geen opdracht te geven voor het bouwen van het orgelbalkon en wilde, als het toch gerealiseerd zou worden, er niet aan meebetalen. Tijdens een tussentijds bezoek eind 1964 van directeur Zachariassen van Marcussen moest hij tot zijn verbijstering constateren dat er helemaal geen orgelbalkon was. En het orgel was gereed om verscheept te worden naar Moerdijk….. Het orgel moest echter weg uit Aabenraa, want door plaatsgebrek kon Zachariassen het orgel niet langer in zijn werkplaats houden. Het nieuwe orgel werd derhalve opgeslagen in de Mariakapel van de kerk, in afwachting van de bouw van het orgelbalkon.

De pastoor-deken van Moerdijk vond dat het Rampenfonds ook maar het balkon moest betalen, want hij had nooit om een balkon gevraagd. Het Rampenfonds liet weten het orgel al geschonken te hebben en niet van zins te zijn om ook nog het balkon te betalen. Maar om de genânte situatie op te lossen heeft het alsnog de bouw van het balkon betaald.

Opgemerkt moet worden dat de R.K. orgelmakers in Nederland niet blij waren dat Protestants/Lutherse orgelmakers incidenteel van opdrachten voor Rooms-Katholieke kerken werden voorzien. Een treffend voorbeeld is het orgel voor de Sacramentskerk te Breda, gebouwd op instigatie van Louis Toebosch door Flentrop, in samenwerking met Vermeulen in 1958). De Orgelcommissie van de Nederlands Hervormde Kerk, het officiële adviesorgaan van het Rampenfonds, legde deze bezwaren naast zich neer en hield voet bij stuk. Zeer sporadisch mocht een R.K. orgelmaker een instrument voor het Rampenfonds bouwen, zoals bijv. het orgel voor de Rectoraatskerk van de Paters Capucijnen in Rilland-Bath (Zeeland), gemaakt door orgelmaker Verschueren uit Heythuysen.

Marcussen en adviseur Lambert Erné

Bij het ontwerp van het Moerdijkse orgel werden door Marcussen twee frontontwerpen en twee ontwerpdisposities voorgesteld. Erné en -namens het Rampenfonds- W. van Berkel keurden het eerste frontontwerp af (onder andere omdat de pedaalkassen niet vrijstaand waren, en de chamade-trompet te hoog opgesteld) maar gingen akkoord met het tweede ontwerp. Het huidige front is een ontwerp van de beroemde orgelmaker Poul-Gerhard Andersen. Dit front is overigensin diverse formaten gekopieerd, zo staat er een verkleinde versie in de St. Willibrorduskerk te Zierikzee. De eerste dispositie die Marcussen voorstelde bevatte als extra een Spitsgamba 8′ op het Hoofdwerk t.b.v. de  liturgische (koor)zang. Een Dulciaan 16′ was in het Rugwerk gedisponeerd. Erné keurde de Spitsgamba af en vond dat de Dulciaan op het Hoofdwerk moest staan. Aldus geschiedde. Om het orgel geschikter te maken voor de rooms-katholieke erediensten werden alle labia van de pijpen naar achteren gezet om de klank iets minder direct te maken. (Dit is in de huidige situatie overigens niet meer het geval….) Erné’s eigen Marcussenorgel in de Utrechtse Nicolaikerk was vrij pittig van karakter. Zelf zei hij hierover: “Hier staat het orgel van de Deen; zo scherp als deze vindt ge er geen”.

Wijding en ingebruikname

Pas in 1965 werd het orgel plechtig ingewijd tijdens een ‘Lof’ op zondagmiddag 14 november. De inspeling geschiedde door Lambert Erné, die werken van Böhm, Buxtehude en Bach vertolkte. Als adviseurs worden genoemd: de orgelraad der Ned. Herv. Kerk en namens de Katholieke orgelraad Dr. W. Kerssemakers, die blijkens een brief van 8 november 1965 maar matig tevreden was over de samensmelting van mixturen en tongwerken. Tijdens de ingebruikname werkte ook het Parochieel Zangkoor mee, dat werken van Mozart en Clemens ten gehore bracht.

De eindkeuring van het orgel door Erné en Gustav Leonhardt verliep uitstekend; er was veel lof voor orgelmaker en instrument.

Nadat duidelijk werd dat de kerk in Moerdijk gesloten zou gaan worden heeft de Stichting Behoud Marcussenorgel (waarin o.a. Lambert van Eekelen, organist van het orgel en Gerard Maters, concertorganisator te Breda en Gerrit van der Schouw zitting namen, ervoor geijverd om dit waardevolle instrument te behouden door geld voor overplaatsing naar een andere locatie in te zamelen. Consultare Orgelbouw (Jan Bambacht) plaatste -in samenwerking met de Sloveense fa. Skrabl- het orgel vervolgens ongewijzigd over naar de Joannes Baptistkerk te Klundert. Op 12 oktober 2013 speelde Gerben Mourik het instrument in op de nieuwe locatie. Tevens was dit de start van de Stichting Cultureel Klundert. In 2017 werd deze kerk helaas ook aan de eredienst onttrokken en in 2017/18 op stijlvolle wijze getransformeerd in ‘De Stad Klundert’ zodat dit gebouw nog steeds een belangrijke rol vervult in het (culturele) leven van de gemeente Moerdijk.

Dispositie

Hoofdwerk (Huvudvaerk): Principal 8', Rørfløjte 8', Oktav 4', Spidsfløjte 4', Oktav 2', Mixtur 4-6 kor, Dulcian 16', Trompet 8'.

Rugwerk (Rygpositiv): Gedakt 8', Principal 4', Rørfløjte 4', Gemshorn 2', Nasat 1 1/3', Scharf 4 kor, Sesquialtera 2 kor (af a klein), Krumhorn 8', Tremulant.

Borstwerk (Brystvaerk): Traegedakt 8', Fløjte 4', Principal 2', Sivfløjte 1', Regal 8', Tremulant.

Pedaal: Principal 16', Oktav 8' (C-f 1 transmissie Pr 16), Oktav 4', Mixtur 5 kor, Basun 16', Trompet 8', Skalmeje 4'.

Koppelingen: Hoofdwerk - Rugwerk, Hoofdwerk - Borstwerk, Rugwerk - Borstwerk, Pedaal - Hoofdwerk, Pedaal - Rugwerk, Pedaal - Borstwerk.

Pedaalomvang: C-f 1

Manuaalomvang: C-g 3

Met dank aan de Stichting Behoud Marcussenorgel en aan Lambert van Eekelen voor de verstrekte documentatie uit het archief.

Foto's

Foto: Wim van der Ros